Concentratieberekeningen
Over de vraagbaak

Vraagbaakscheikunde.nl

Concentratieberekeningen

6 berichten aan het bekijken - 1 tot 6 (van in totaal 6)
  • Auteur
    Berichten
  • #1729 Reageer
    Timon
    Gast

    In een bekerglas met 320 ml water wordt 126,3 gram loodnitraat opgelost. In een andere beker met 120 ml water wordt 58,21 gram natriumsulfaat opgelost. Vervolgens word de inhoud van de twee bekerglazen gemengd en ontstaat er neerslag.

    Bereken wat de concentraties in gram/L van de overgebleven ionen zijn, en hoeveel gram loodsulfaat is ontstaan.

    – houd rekening met de neerslagvorming en er dus minder lood en sulfaat in de oplossing is.

    – dit is een overmaatberekening

    Zou je me kunnen helpen met het stap voor stap oplossen van deze vraag. Ik heb namelijk geen idee waar ik moet beginnen en hoe verder te gaan en hoe ik deze vraag moet aanpakken

    #1730 Reageer
    Mathijs
    Expert

    Hoi Timon,

    Zoals de vraag al zegt, wordt er een neerslag gevormd wanneer de 2 oplossingen gemengd worden. Dat komt omdat er ionen met elkaar in contact komen en een zout kunnen vormen dat niet oplost in water. Als gevolg van die neerslag, komen de ionen uit de oplossing en vormen ze een vaste stof. De concentraties van de ionen die nog in de oplossing achter zijn gebleven, veranderen dan dus. Immers, een deel van de oorspronkelijke ionen zit nu in het zout.

    Om je een indicatie te geven van de stappen die je moet nemen, hoeveel van alle verschillende ionen zitten precies in de oplossingen, zowel voor als na het mengen? Zou je kunnen bedenken welke ionen oplosbaar zijn en welke niet wanneer deze oplossingen gemengd worden? En waar zijn die ionen die niet oplosbaar zijn naartoe gegaan en hoeveel van die ionen zijn dat precies?

    Hopelijk helpt je dit op pad, anders moet je het even laten weten!

    Groeten,
    Mathijs

    #1731 Reageer
    Timon
    Gast

    Bedankt, maar dat snap ik dus niet, hoe moet ik berekenen hoeveel ionen erin zitten voor en na het mengen.

    #1732 Reageer
    Mathijs
    Expert

    Het berekenen van concentraties kan je doen door te berekenen hoeveel van een bepaalde stof er in een bepaalde volume, een bepaalde inhoud, zijn opgelost. Zo vertelt de vraag bijvoorbeeld dat het loodnitraat is opgelost in een bepaald volume water.

    Om te berekenen wat de concentratie na het mengen is, kan je bijvoorbeeld ook denken aan een volgend experimentje: Je lost bijvoorbeeld 10 gram suiker op in 1 liter water en 10 gram zout in een andere liter water. Beiden hebben dan een concentratie van 10 gram per liter. Als je die twee oplossingen met elkaar mengt, zitten die 10 gram zout en 10 gram suiker natuurlijk in 2 liter water en niet meer in 1 liter water. De concentratie van het suiker en zout is nu gedaald naar 5 gram per liter, omdat de 10 gram van elke stof verdeeld is over 2 liter.

    Om te berekenen hoeveel ionen er precies in de oplossing zitten, moet je natuurlijk ook weten hoeveel een zo’n ion weegt. Dan kan je immers het aantal ionen van een soort berekenen. Het gewicht van een ion of een molecuul wordt uitgedrukt door het molair gewicht, in gram per mol (of soms kilogram per mol). Met behulp van dat molair gewicht kan je dus berekenen hoeveel natrium- en chlorideionen in 10 gram zout zitten en met dat getal kan je vervolgens de concentratie van die natrium en chlorideionen in bijvoorbeeld die liter water uitrekenen.

    #1733 Reageer
    Timon
    Gast

    Hallo Mathijs,

    Ik snap echt niet hoe dit allemaal betrekking heeft op mijn vraag. Voor mijn gevoel dwaal ik nu alleen maar af op iets anders wat voor mijn gevoel totaal geen betrekking heeft op mijn vraag.

    Ik zou het fijn vinden als je de berekening stap voor stap zou kunnen laten zien, ik ga het dan veel beter snappen, dan als je een totaal ander verhaal vertelt. Ik hoor het morgen wel van je

    #1734 Reageer
    Mathijs
    Expert

    Hoi Timon,

    Dan heeft mijn uitleg je inderdaad niet veel verder geholpen!
    Om weer even terug te pakken op het voorbeeldje van de 10 gram natriumchloride (keukenzout!) in 1 liter water, in Binas kan je vinden dat natrium 23.0 gram per mol weegt en chloor/chloride 35,4 gram per mol weegt. Natriumchloride weegt dan Na + Cl = 23.0 + 35.4 = 58.4 g/mol. Om de molmassa’s van Na2SO4 en Pb(NO3)2 te berekenen, kan je net zulke stappen volgen, maar dan natuurlijk voor die atomen.

    Om te weten hoeveel van die natrium- en chlorideionen in de 10 gram zitten, moeten we vervolgens het gewicht daarvan delen door de molaire massa. Die 10 gram natrium chloride bestaat dan uit 10 gram / (58.4 gram/mol) = 0.17 mol. NaCl bestaat uit 1 ion Na+ en 1 ion Cl-, dus heb je dan ook 0.17 mol Na+ en 0.17 mol Cl-. Als je bijvoorbeeld kijkt naar Na2SO4, zitten daar 2 Na+ ionen per Na2SO4 in, dus heb je 2 mol Na+ in 1 mol Na2SO4.

    Goed, dus, weer terugkijkend op het voorbeeld van het NaCl, als we die 0.17 mol oplossen in 1 liter water, hebben we dus 1 liter van een 0.17 mol/L NaCl oplossing. Stel we gooien daar 100 mL van een Pb(NO3)2-oplossing bij met 0.1 mol/L Pb2+ ionen en 0.2 mol/L NO3- ionen. De Pb2+ ionen en de Cl- ionen komen dan met elkaar in aanraking en vormen het slecht oplosbare PbCl2. Als óf alle Pb2+ ionen óf alle Cl- ionen zich in het zout hebben neergeslagen, stopt de vorming van de neerslag. Er zijn dan immers geen van de benodigde ionen in oplossing! Omdat we 100 mL = 0.1 L van een 0.1 mol/L Pb(NO3)2 oplossing hebben, hebben we dus 0.1 mol/L x 0.1 L = 0.01 mol Pb2+. Dit Pb2+ kan met maximaal 2×0.01 mol = 0.02 mol chloride (houdt rekening met de lading!) reageren om het slecht oplosbare PbCl2 te vormen. Er is dus in dit voorbeeld veel meer Cl- dan Pb2+ en chloride is daarmee dus in overmaat. Er kan dus maximaal 0.01 mol PbCl2 gevormd worden. Met behulp van de molmassa van PbCl2 kan je berekenen hoeveel gram van dit zout er gevormd is. Die 0.02 gram Cl- ionen in het PbCl2 zijn natuurlijk uit de oplossing afkomstig, dus in de oplossing zijn nu nog 0.17-0.02=0.15 mol chlorideionen aanwezig, wat met de molmassa van chloor weer om te zetten is naar grammen. Dit kan je ook berekenen voor de nog overgebleven Na+ en NO3- ionen. Vergeet niet dat je nu een totaal volume hebt van 1.1 liter (1 liter + 100 mL!) als je de uiteindelijke concentraties zou berekenen van de Na+ en NO3- ionen.

    Hopelijk lukt het je met deze uitleg om de vraag uit je opgave te beantwoorden!

    Groeten,
    Mathijs

6 berichten aan het bekijken - 1 tot 6 (van in totaal 6)
Reageer op: Concentratieberekeningen
Mijn informatie:



vraagbaak icoon vraag 17 2002 tijdvak 1
Scheikunde | Vwo | 6
Vraag
vraag 17 2002 tijdvak 1
In mijn scheikunde boek kwam een oud examen opgave van 2002 tijdvak 1 vraag 17. Ik snap er dus helemaal niks van. Zouden jullie mij kunnen helpen met hoe je dit soort vragen beantwoord en hoe zei op het antwoord kwamen?
Bekijk vraag & antwoord
studiehulp icoon Molariteit havo 4
Scheikunde | Havo | 4
Oefentoets
Molariteit havo 4
Oefentoets havo 4 over molariteit
Bekijk de toets
studiehulp icoon Bindingen havo 4
Scheikunde | Havo | 4
Oefentoets
Bindingen havo 4
Oefentoets bindingen (atoom, vanderwaals etc) havo 4
Bekijk de toets
vraagbaak icoon Rekenen zuren en basen
Scheikunde | Vwo | 5
Vraag
Rekenen zuren en basen
Goedenavond, Ik had een vraag waar ik niet helemaal uitkwam met betrekking tot chemisch rekenen aan zuren en basen. Hopelijk zou iemand mij op weg kunnen helpen. De vraag luidt als volgt: Je hebt een oplossing van natriumcarbonaat met een pH van 11,70 (T=298 K). Aan 50 mL van deze oplossing wordt 10 mL 0,10 […]
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon Druk in een vat
Vraag
Druk in een vat
Stel dat ik een drukvat/buffervat heb van b.v. 1.000 liter lucht met een uitgangsdruk van 1 bar. Wat gebeurt er als ik daar met een compressor 1.000 liter lucht (of een hoeveelheid 'N') bij in pomp? Mijn uitgangspunt is de ideale gaswet: P x V / N x T = constant. Dus als ik N […]
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon Katalysator in evenwichtsreactie
Scheikunde | Vwo | 4
Vraag
Katalysator in evenwichtsreactie
Mijn vraag is simpel Beïnvloedt een katalysator in een reactie met ingesteld evenwicht beide reactiesnelheden (reactie links en rechts) met dezelfde toename of afname? Ik begrijp niet dat een katalysator voor twee verschillende reacties dezelfde invloed kan hebben.
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon polair/apolair
Scheikunde | Vwo | 6
Vraag
polair/apolair
Malonzuur lost prima op in water. Toch zou ik zeggen dat door de symmetrie van het molecuul, moleculen malonzuur geen dipoolmoment hebben. De partiele dipoolmomenten heffen elkaar op. En dus is het een apolaire stof. Net zoals CO2 dat ook niet goed oplost in water. Toch heeft malonzuur OH-groepen die H-bruggen met watermoleculen kunnen vormen. […]
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon polair/apolair
Scheikunde | Vwo | 6
Vraag
polair/apolair
Malonzuur lost prima op in water. Toch zou ik zeggen dat door de symmetrie van het molecuul, moleculen malonzuur geen dipoolmoment hebben. De partiele dipoolmomenten heffen elkaar op. En dus is het een apolaire stof. Net zoals CO2 dat ook niet goed oplost in water. Toch heeft malonzuur OH-groepen die H-bruggen met watermoleculen kunnen vormen. […]
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon scheikunde zuren
Scheikunde | Vwo | 4
Vraag
scheikunde zuren
de opdracht uit het boek: Methaanzuur is een organisch zuur. Geef de reactievergelijking in molecuulformules van de reactie die verloopt bij het oplossen van methaanzuur in water. hoe/waar kan ik vinden wat de formule van methaanzuur is, staat het ergens in de binas of moet ik dit leren?
Bekijk vraag & antwoord
vraagbaak icoon pH berekenen
Scheikunde | Vwo | 5
Vraag
pH berekenen
Bereken de pH na samenvoegen van: 100,0 ml zoutzuur (pH=2,70) en 100,0 ml KOH (pH=11,50) Ik heb de concentratie H3O+ en de concentratie OH- kunnen betekenen, maar ik weet niet hoe ik verder zou moeten.
Bekijk vraag & antwoord

Inloggen voor experts